Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/109071401.webp
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
omfavne
Moren omfavner babyens små føtter.
cms/verbs-webp/94555716.webp
worden
Ze zijn een goed team geworden.
bli
De har blitt et godt lag.
cms/verbs-webp/96061755.webp
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
servere
Kokken serverer oss selv i dag.
cms/verbs-webp/60111551.webp
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
ta
Hun må ta mye medisin.
cms/verbs-webp/120762638.webp
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
fortelle
Jeg har noe viktig å fortelle deg.
cms/verbs-webp/83548990.webp
terugkomen
De boemerang kwam terug.
returnere
Boomerangen returnerte.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
stikke av
Sønnen vår ønsket å stikke av hjemmefra.
cms/verbs-webp/111792187.webp
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
velge
Det er vanskelig å velge den rette.
cms/verbs-webp/115153768.webp
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
se klart
Jeg kan se alt klart gjennom mine nye briller.
cms/verbs-webp/47802599.webp
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
foretrekke
Mange barn foretrekker godteri fremfor sunne ting.
cms/verbs-webp/118759500.webp
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
høste
Vi høstet mye vin.
cms/verbs-webp/79582356.webp
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
dechiffrere
Han dechifrerer småskriften med et forstørrelsesglass.