Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/80325151.webp
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
fullføre
De har fullført den vanskelige oppgaven.
cms/verbs-webp/43483158.webp
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
reise med tog
Jeg vil reise dit med tog.
cms/verbs-webp/120086715.webp
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
fullføre
Kan du fullføre puslespillet?
cms/verbs-webp/118780425.webp
proeven
De chef-kok proeft de soep.
smake
Hovedkokken smaker på suppen.
cms/verbs-webp/118765727.webp
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
belaste
Kontorarbeid belaster henne mye.
cms/verbs-webp/116932657.webp
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
motta
Han mottar en god pensjon i alderdommen.
cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
snu
Hun snur kjøttet.
cms/verbs-webp/40326232.webp
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
forstå
Jeg forsto endelig oppgaven!
cms/verbs-webp/95543026.webp
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
delta
Han deltar i løpet.
cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
ringe på
Hvem ringte på dørklokken?
cms/verbs-webp/102136622.webp
trekken
Hij trekt de slee.
dra
Han drar sleden.
cms/verbs-webp/108218979.webp
moeten
Hij moet hier uitstappen.
måtte
Han må gå av her.