Ordforråd

Lær verb – Dutch

cms/verbs-webp/97784592.webp
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
legge merke til
Ein må legge merke til vegskilt.
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
gå tur
Familien går på tur om søndagane.
cms/verbs-webp/67035590.webp
springen
Hij sprong in het water.
hoppe
Han hoppa i vatnet.
cms/verbs-webp/98561398.webp
mengen
De schilder mengt de kleuren.
blande
Målaren blandar fargane.
cms/verbs-webp/81740345.webp
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
samanfatte
Du må samanfatte hovudpunkta frå denne teksten.
cms/verbs-webp/86710576.webp
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
reise
Feriegjestane våre reiste i går.
cms/verbs-webp/63645950.webp
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
springe
Ho spring kvar morgon på stranda.
cms/verbs-webp/68435277.webp
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
koma
Eg er glad du kom!
cms/verbs-webp/110646130.webp
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
dekke
Ho har dekka brødet med ost.
cms/verbs-webp/115172580.webp
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
bevise
Han vil bevise ein matematisk formel.
cms/verbs-webp/85623875.webp
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
studere
Det er mange kvinner som studerer ved universitetet mitt.
cms/verbs-webp/96571673.webp
schilderen
Hij schildert de muur wit.
male
Han malar veggen kvit.