Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
appear
A huge fish suddenly appeared in the water.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
make a mistake
Think carefully so you don’t make a mistake!
draaien
Je mag naar links draaien.
turn
You may turn left.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
check
The dentist checks the teeth.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
walk
He likes to walk in the forest.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
protect
The mother protects her child.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
jump around
The child is happily jumping around.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
trade
People trade in used furniture.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
kick
Be careful, the horse can kick!
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
hire
The company wants to hire more people.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
feel
She feels the baby in her belly.