Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
bring by
The pizza delivery guy brings the pizza by.

loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
let go
You must not let go of the grip!

schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
clean
She cleans the kitchen.

protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
protest
People protest against injustice.

publiceren
Reclame wordt vaak in kranten gepubliceerd.
publish
Advertising is often published in newspapers.

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stop
You must stop at the red light.

vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renew
The painter wants to renew the wall color.

terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.

zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
be
You shouldn’t be sad!

bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
keep
I keep my money in my nightstand.

opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
speak up
Whoever knows something may speak up in class.
