Ordliste
Lær verber – Nederlandsk

uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
slukke
Hun slukker for strømmen.

zien
Je kunt beter zien met een bril.
se
Du kan se bedre med briller.

hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
håbe
Mange håber på en bedre fremtid i Europa.

hangen
IJsspegels hangen van het dak.
hænge ned
Istapper hænger ned fra taget.

ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
modtage
Hun modtog en meget flot gave.

terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
tage tilbage
Apparatet er defekt; forhandleren skal tage det tilbage.

roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
råbe
Drengen råber så højt han kan.

samenwerken
We werken samen als een team.
arbejde sammen
Vi arbejder sammen som et team.

bereiden
Ze bereidt een taart.
forberede
Hun forbereder en kage.

ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
fyre
Chefen har fyret ham.

schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
rengøre
Arbejderen rengør vinduet.
