어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어

drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
몰다
카우보이들은 말로 소를 몰고 간다.

trekken
Hij trekt de slee.
당기다
그는 썰매를 당긴다.

onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
지지하다
우리는 당신의 아이디어를 기꺼이 지지한다.

veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
일으키다
설탕은 많은 병을 일으킵니다.

wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
출발하다
신호등이 바뀌자 차들이 출발했다.

bespreken
Ze bespreken hun plannen.
논의하다
그들은 그들의 계획을 논의합니다.

toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
달려가다
소녀가 어머니에게 달려간다.

hangen
Ze hangen beide aan een tak.
매달리다
둘 다 가지에 매달려 있다.

vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
부탁하다
그는 그녀에게 용서를 부탁한다.

verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
놀라게하다
그녀는 부모에게 선물로 놀라게 했다.

doden
Ik zal de vlieg doden!
죽이다
나는 파리를 죽일 거야!
