Vocabolario
Impara gli avverbi – Olandese
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
domani
Nessuno sa cosa sarà domani.
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
di nuovo
Si sono incontrati di nuovo.
veel
Ik lees inderdaad veel.
molto
Leggo molto infatti.
al
Hij slaapt al.
già
Lui è già addormentato.
gratis
Zonne-energie is gratis.
gratuitamente
L‘energia solare è gratuita.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
troppo
Ha sempre lavorato troppo.
net
Ze is net wakker geworden.
appena
Lei si è appena svegliata.
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
da qualche parte
Un coniglio si è nascosto da qualche parte.
altijd
Hier was altijd een meer.
sempre
Qui c‘è sempre stato un lago.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
giù
Lui cade giù dall‘alto.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
da solo
Sto godendo la serata tutto da solo.