Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
come together
It’s nice when two people come together.

verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
prefer
Many children prefer candy to healthy things.

terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
call back
Please call me back tomorrow.

veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.

voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.

langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stop by
The doctors stop by the patient every day.

verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
divide
They divide the housework among themselves.

afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
depend
He is blind and depends on outside help.

vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
tell
I have something important to tell you.

weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
run away
Our son wanted to run away from home.

verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
increase
The company has increased its revenue.
