Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
passar
Às vezes, o tempo passa devagar.
cms/verbs-webp/85968175.webp
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
danificar
Dois carros foram danificados no acidente.
cms/verbs-webp/120452848.webp
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
conhecer
Ela conhece muitos livros quase de cor.
cms/verbs-webp/93221279.webp
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
queimar
Há um fogo queimando na lareira.
cms/verbs-webp/23258706.webp
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
levantar
O helicóptero levanta os dois homens.
cms/verbs-webp/127620690.webp
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
tributar
As empresas são tributadas de várias maneiras.
cms/verbs-webp/84365550.webp
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transportar
O caminhão transporta as mercadorias.
cms/verbs-webp/46602585.webp
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transportar
Nós transportamos as bicicletas no teto do carro.
cms/verbs-webp/102167684.webp
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
comparar
Eles comparam suas figuras.
cms/verbs-webp/90821181.webp
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
vencer
Ele venceu seu oponente no tênis.
cms/verbs-webp/74009623.webp
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
testar
O carro está sendo testado na oficina.
cms/verbs-webp/43956783.webp
weglopen
Onze kat is weggelopen.
fugir
Nosso gato fugiu.