Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
dirigir
Depois das compras, os dois dirigem para casa.
cms/verbs-webp/104135921.webp
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
entrar
Ele entra no quarto do hotel.
cms/verbs-webp/122398994.webp
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
matar
Cuidado, você pode matar alguém com esse machado!
cms/verbs-webp/40946954.webp
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
ordenar
Ele gosta de ordenar seus selos.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examinar
Amostras de sangue são examinadas neste laboratório.
cms/verbs-webp/102238862.webp
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
visitar
Uma velha amiga a visita.
cms/verbs-webp/79046155.webp
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
repetir
Pode repetir, por favor?
cms/verbs-webp/108218979.webp
moeten
Hij moet hier uitstappen.
dever
Ele deve descer aqui.
cms/verbs-webp/119335162.webp
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
mover
É saudável se movimentar muito.
cms/verbs-webp/100649547.webp
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
contratar
O candidato foi contratado.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
passar
Às vezes, o tempo passa devagar.
cms/verbs-webp/120515454.webp
voeden
De kinderen voeden het paard.
alimentar
As crianças estão alimentando o cavalo.