Ordforråd
Lær verb – Dutch
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
sleppe inn
Ein bør aldri sleppe inn framande.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
byrje
Eit nytt liv byrjar med ekteskap.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
understreke
Han understreka utsegna si.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
finne vegen tilbake
Eg kan ikkje finne vegen tilbake.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
takke
Eg takker deg mykje for det!
houden
Je mag het geld houden.
halde
Du kan halde pengane.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
tåle
Ho kan ikkje tåle songen.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
ankomme
Flyet ankom i rett tid.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
blande
Målaren blandar fargane.
beperken
Moet handel worden beperkt?
avgrense
Bør handel avgrensast?
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
auke
Befolkninga har auka betydelig.