Ordforråd

Lær verb – Dutch

cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
sleppe inn
Ein bør aldri sleppe inn framande.
cms/verbs-webp/35862456.webp
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
byrje
Eit nytt liv byrjar med ekteskap.
cms/verbs-webp/80332176.webp
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
understreke
Han understreka utsegna si.
cms/verbs-webp/94796902.webp
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
finne vegen tilbake
Eg kan ikkje finne vegen tilbake.
cms/verbs-webp/12991232.webp
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
takke
Eg takker deg mykje for det!
cms/verbs-webp/119289508.webp
houden
Je mag het geld houden.
halde
Du kan halde pengane.
cms/verbs-webp/117953809.webp
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
tåle
Ho kan ikkje tåle songen.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
ankomme
Flyet ankom i rett tid.
cms/verbs-webp/98561398.webp
mengen
De schilder mengt de kleuren.
blande
Målaren blandar fargane.
cms/verbs-webp/99602458.webp
beperken
Moet handel worden beperkt?
avgrense
Bør handel avgrensast?
cms/verbs-webp/78773523.webp
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
auke
Befolkninga har auka betydelig.
cms/verbs-webp/58993404.webp
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
gå heim
Han går heim etter arbeid.