Ordforråd
Lær adverb – nederlandsk

alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Her kan du se alle flaggene i verden.

echt
Kan ik dat echt geloven?
virkelig
Kan jeg virkelig tro på det?

misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
kanskje
Hun vil kanskje bo i et annet land.

half
Het glas is half leeg.
halv
Glasset er halvt tomt.

alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
alene
Jeg nyter kvelden helt alene.

‘s morgens
Ik moet vroeg opstaan ‘s morgens.
om morgenen
Jeg må stå opp tidlig om morgenen.

een beetje
Ik wil een beetje meer.
litt
Jeg vil ha litt mer.

naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
ned
Hun hopper ned i vannet.

erg
Het kind is erg hongerig.
veldig
Barnet er veldig sultent.

iets
Ik zie iets interessants!
noe
Jeg ser noe interessant!

lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
lenge
Jeg måtte vente lenge i venterommet.
