Rječnik
Naučite glagole – nizozemski

instellen
Je moet de klok instellen.
postaviti
Morate postaviti sat.

handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
trgovati
Ljudi trguju s rabljenim namještajem.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
prodavati
Trgovci prodaju mnoge proizvode.

sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
ostaviti bez riječi
Iznenadi je ostavila bez riječi.

onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
ostaviti netaknuto
Priroda je ostala netaknuta.

vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transportirati
Kamion transportira robu.

verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
izgubiti
Čekaj, izgubio si novčanik!

bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
posluživati
Danas nas kuhar osobno poslužuje.

vormen
We vormen samen een goed team.
formirati
Skupa formiramo dobar tim.

zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
brinuti
Naš sin se jako dobro brine o svom novom automobilu.

werken
Ze werkt beter dan een man.
raditi
Ona radi bolje od muškarca.
