Vocabulari
Aprèn verbs – neerlandès
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
traduir
Ell pot traduir entre sis idiomes.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
tornar
El gos torna la joguina.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
atrevir-se
Es van atrevir a saltar de l’avió.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
passar
La perioda medieval ha passat.
wassen
De moeder wast haar kind.
rentar
La mare renta el seu fill.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
canviar
El semàfor ha canviat a verd.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
parlar
Ell parla al seu públic.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
trucar
Qui va trucar al timbre?
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
perseguir
La mare persegueix al seu fill.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
despertar-se
Ell acaba de despertar-se.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
desfer-se
Aquestes velles pneumàtiques s’han de desfer separadament.