Besedni zaklad

Naučite se glagolov – nizozemščina

cms/verbs-webp/125402133.webp
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
dotakniti se
Nežno se je dotaknil nje.
cms/verbs-webp/100649547.webp
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
zaposliti
Kandidat je bil zaposlen.
cms/verbs-webp/106997420.webp
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
pustiti nedotaknjeno
Naravo so pustili nedotaknjeno.
cms/verbs-webp/97335541.webp
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
komentirati
Vsak dan komentira politiko.
cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
pustiti brez besed
Presenečenje jo pusti brez besed.
cms/verbs-webp/115847180.webp
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
pomagati
Vsak pomaga postaviti šotor.
cms/verbs-webp/65199280.webp
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
teči za
Mama teče za svojim sinom.
cms/verbs-webp/130938054.webp
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
prekriti
Otrok se prekrije.
cms/verbs-webp/102631405.webp
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
pozabiti
Ne želi pozabiti preteklosti.
cms/verbs-webp/115291399.webp
willen
Hij wil te veel!
želesti
Preveč si želi!
cms/verbs-webp/113248427.webp
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
zmagati
Poskuša zmagati v šahu.
cms/verbs-webp/123546660.webp
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
preveriti
Mehanik preverja funkcije avtomobila.