Rječnik
Naučite glagole – nizozemski

rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
skakutati
Dijete veselo skakuće.

spellen
De kinderen leren spellen.
pisati
Djeca uče pisati.

plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
održati se
Sprovod se održao prekjučer.

luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
slušati
Djeca rado slušaju njene priče.

met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
ići vlakom
Tamo ću ići vlakom.

weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
znati
Djeca su vrlo znatiželjna i već puno znaju.

ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
primiti
U starosti prima dobru mirovinu.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
voziti
Djeca vole voziti bicikle ili romobile.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
prodavati
Trgovci prodaju mnoge proizvode.

handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
trgovati
Ljudi trguju s rabljenim namještajem.

vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
reći
Imam ti nešto važno reći.
