Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
again
He writes everything again.
samen
De twee spelen graag samen.
together
The two like to play together.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
anytime
You can call us anytime.
nooit
Men moet nooit opgeven.
never
One should never give up.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
but
The house is small but romantic.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
down
She jumps down into the water.
binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.
soon
A commercial building will be opened here soon.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
too much
He has always worked too much.
ook
Haar vriendin is ook dronken.
also
Her girlfriend is also drunk.
half
Het glas is half leeg.
half
The glass is half empty.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
down below
He is lying down on the floor.