Wortschatz
Adverbien lernen – Niederländisch
uit
Hij zou graag uit de gevangenis willen komen.
raus
Er will gern raus aus dem Gefängnis.
weg
Hij draagt de prooi weg.
fort
Er trägt die Beute fort.
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
irgendwo
Ein Hase hat sich irgendwo versteckt.
in
De twee komen binnen.
herein
Die beiden kommen herein.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
allein
Ich genieße den Abend ganz allein.
veel
Ik lees inderdaad veel.
viel
Ich lese wirklich viel.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
hinaus
Das kranke Kind darf nicht hinaus.
nooit
Men moet nooit opgeven.
niemals
Man darf niemals aufgeben.
bijna
Het is bijna middernacht.
fast
Es ist fast Mitternacht.
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
nirgendwohin
Diese Schienen führen nirgendwohin.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
darauf
Er klettert aufs Dach und setzt sich darauf.