Wortschatz

Adverbien lernen – Niederländisch

cms/adverbs-webp/118228277.webp
uit
Hij zou graag uit de gevangenis willen komen.
raus
Er will gern raus aus dem Gefängnis.
cms/adverbs-webp/96549817.webp
weg
Hij draagt de prooi weg.
fort
Er trägt die Beute fort.
cms/adverbs-webp/138692385.webp
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
irgendwo
Ein Hase hat sich irgendwo versteckt.
cms/adverbs-webp/176235848.webp
in
De twee komen binnen.
herein
Die beiden kommen herein.
cms/adverbs-webp/170728690.webp
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
allein
Ich genieße den Abend ganz allein.
cms/adverbs-webp/77731267.webp
veel
Ik lees inderdaad veel.
viel
Ich lese wirklich viel.
cms/adverbs-webp/57457259.webp
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
hinaus
Das kranke Kind darf nicht hinaus.
cms/adverbs-webp/142768107.webp
nooit
Men moet nooit opgeven.
niemals
Man darf niemals aufgeben.
cms/adverbs-webp/176340276.webp
bijna
Het is bijna middernacht.
fast
Es ist fast Mitternacht.
cms/adverbs-webp/145004279.webp
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
nirgendwohin
Diese Schienen führen nirgendwohin.
cms/adverbs-webp/54073755.webp
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
darauf
Er klettert aufs Dach und setzt sich darauf.
cms/adverbs-webp/98507913.webp
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Hier kann man alle Flaggen der Welt sehen.