Wortschatz
Adverbien lernen – Niederländisch

alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Hier kann man alle Flaggen der Welt sehen.

altijd
Hier was altijd een meer.
immer
Hier war immer ein See.

meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
mehr
Große Kinder bekommen mehr Taschengeld.

half
Het glas is half leeg.
halb
Das Glas ist halb leer.

opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
wieder
Sie haben sich wieder getroffen.

al
Hij slaapt al.
bereits
Er ist bereits eingeschlafen.

bijna
De tank is bijna leeg.
nahezu
Der Tank ist nahezu leer.

behoorlijk
Ze is behoorlijk slank.
ziemlich
Sie ist ziemlich schlank.

even
Deze mensen zijn verschillend, maar even optimistisch!
gleich
Diese Menschen sind verschieden, aber gleich optimistisch!

nooit
Ga nooit met schoenen aan naar bed!
nie
Geh nie mit Schuhen ins Bett!

buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
hinaus
Das kranke Kind darf nicht hinaus.
