Sõnavara

Õppige tegusõnu – hollandi

cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
helistama
Kes uksekella helistas?
cms/verbs-webp/77572541.webp
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
eemaldama
Käsitööline eemaldas vanad plaadid.
cms/verbs-webp/102823465.webp
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
näitama
Ma saan näidata oma passis viisat.
cms/verbs-webp/97335541.webp
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
kommenteerima
Ta kommenteerib iga päev poliitikat.
cms/verbs-webp/99169546.webp
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
vaatama
Kõik vaatavad oma telefone.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
arvama
Sa pead arvama, kes ma olen!
cms/verbs-webp/110401854.webp
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
majutust leidma
Leidsime majutuse odavas hotellis.
cms/verbs-webp/90321809.webp
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
kulutama
Meil tuleb parandustele palju raha kulutada.
cms/verbs-webp/78063066.webp
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
hoidma
Ma hoian oma raha öökapil.
cms/verbs-webp/95625133.webp
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
armastama
Ta armastab oma kassi väga.
cms/verbs-webp/112286562.webp
werken
Ze werkt beter dan een man.
töötama
Ta töötab paremini kui mees.
cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
puudutama
Põllumees puudutab oma taimi.