Wortschatz
Lerne Adjektive – Niederländisch

overig
de overgebleven sneeuw
restlich
der restliche Schnee

verdrietig
het verdrietige kind
traurig
das traurige Kind

schoon
schone was
sauber
saubere Wäsche

vet
een vet persoon
fett
eine fette Person

voorste
de voorste rij
vordere
die vordere Reihe

onleesbaar
de onleesbare tekst
unlesbar
der unlesbare Text

gesloten
de gesloten deur
verschlossen
die verschlossene Tür

mooi
mooie bloemen
schön
schöne Blumen

onvoorstelbaar
een onvoorstelbaar ongeluk
unfassbar
ein unfassbares Unglück

sociaal
sociale relaties
sozial
soziale Beziehungen

steenachtig
een stenig pad
steinig
ein steiniger Weg
