Rječnik

Naučite glagole – nizozemski

cms/verbs-webp/106851532.webp
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
gledati jedno drugog
Dugo su se gledali.
cms/verbs-webp/132030267.webp
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
konzumirati
Ona konzumira komadić kolača.
cms/verbs-webp/90292577.webp
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
proći
Voda je bila previsoka; kamion nije mogao proći.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
hodati
Voli hodati po šumi.
cms/verbs-webp/124575915.webp
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
poboljšati
Želi poboljšati svoju figuru.
cms/verbs-webp/124458146.webp
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
ostaviti
Vlasnici ostavljaju svoje pse meni na šetnju.
cms/verbs-webp/119289508.webp
houden
Je mag het geld houden.
zadržati
Možete zadržati novac.
cms/verbs-webp/108991637.webp
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
izbjeći
Ona izbjegava svoju kolegicu.
cms/verbs-webp/106088706.webp
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
ustati
Ona se više ne može sama ustati.
cms/verbs-webp/74036127.webp
missen
De man heeft zijn trein gemist.
propustiti
Čovjek je propustio svoj vlak.
cms/verbs-webp/87142242.webp
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
visiti
Hamak visi s plafona.
cms/verbs-webp/67232565.webp
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
složiti se
Susjedi se nisu mogli složiti oko boje.